Theoretisch topkok
Een keeper doet z’n best maar kan niet voorkomen dat er op het doel geschoten wordt. En als er veelvuldig op het doel geschoten wordt dan zal er heus wel eens een bal door komen. Keepen is immers mensenwerk. Maar wat gebeurt er als zo’n gelukte doelpoging aan een extern onderzoek wordt onderworpen door een aantal onafhankelijke deskundigen? Ik weet bijna wel zeker dat deze externe deskundigen op basis van nader onderzoek van het feitenmateriaal tot de conclusie zullen komen dat er een fout is gemaakt door de keeper. Hij was immers niet op tijd of heeft in ieder geval de verkeerde actie in gang gezet. De bal is immers in het doel terecht gekomen en daardoor is de wedstrijd verloren. En die fouten zullen zeker verwijtbaar zijn.
Kortom: een externe deskundige ziet veel meer in het nazien, dan de keeper tijdens de actie. Maar zo’n externe deskundige mist bijna altijd wel het gevoel van het moment. Het moment van de acties. En als zo’n commissielid ook nog eens een oordeel geeft over een keeper zonder ooit zelf in het doel te hebben gestaan, kan zo’n oordeel zelfs pijnlijk accuraat zijn maar toch de nuancering van de echte praktijkervaring missen. En als zo’n rapport vervolgens openbaar wordt gemaakt aan de politiek en zelfs aan het gehele Nederlandse volk dan kan dat hele merkwaardige effecten hebben. Want op zo’n beslissend moment mag je geen fouten maken. In het meest extreme geval wordt de keeper dan zelfs verweten dat hij niet onmiddellijk is opgestapt. Hij heeft immers al vaker een bal doorgelaten in eerdere wedstrijden? En een keeper dient dat natuurlijk te voorkomen! Daarom is hij keeper: zero tolerance.

Misschien dat bovenstaande passage absurd op u overkomt. Maar ik zie een grote analogie met de discussie rond de DNB en haar leider naar aanleiding van de publicatie van de commissie-Scheltema. Het grote verschil daarbij is overigens wel dat de reddingen die een keeper wel succesvol uitvoert ook zichtbaar zijn voor het publiek. Een keeper krijgt daarmee de mogelijkheid om goodwill op te bouwen voor een beperkt aantal missers. DNB mist die mogelijkheid in het geheel. Dit valt namelijk allemaal onder de geheimhoudingsplicht. En dit betekent dat als het goed gaat, dit natuurlijk geheel door het excellente functioneren van de onder toezicht staande instellingen komt. Gaat het echter mis dan ligt het natuurlijk vooral aan de toezichthouder.
Wat wel aardig is in dit kader, zijn de beelden die de commissie-De Wit over het functioneren van DNB heeft verzameld en gepubliceerd in haar onderzoekrapport. In het kort wordt daarin onder andere het volgende beeld geschetst: In de publieke opinie wordt de DNB te passief gevonden. Maar in het veld wordt dit beeld niet gedeeld. Hoe meer men met de toezichthouder te maken heeft in de dagelijkse bedrijfsvoering, hoe minder dit beeld zelfs wordt bevestigd. Directbetrokkenen zijn daardoor eigenlijk wel dik tevreden over de wijze waarop DNB haar taak invult. Zo’n nabeschouwing zou ik persoonlijk als een groot compliment opvatten.
Maar zonder kennis van de uitgevoerde reddingen vind ik het track record van onze DNB eigenlijk ook buitengewoon goed. Want de teller voor het aantal keren dat het echt mis ging met een bank is sinds 1945 blijven steken op 7. En dat vind ik een heel goede score voor onze nationale keeper tegen bancaire deconfitures. In de VS zijn ter vergelijking alleen al in de afgelopen jaren enkele honderden banken omgevallen.
Het oordeel van de commissie is overigens zuiver en objectief. Maar net als in de vergelijking met de keeper missen de commissieleden de ervaring van de actie. En dus ook de nuance die daarvan het gevolg is. Zij hebben zich tot het uiterste ingespannen om dit te compenseren. Dat lees ik wel uit hun rapport. Maar inleven en inlezen in de situatie is toch echt iets heel anders dan het echt beleven. Het is dan net als die financieel dienstverlener uit Heerlen die zichzelf na zijn ontmaskering als fraudeur omschreef als een theoretisch topkok. Hij had de theoretische kennis over het koken op topniveau immers op school verworven maar had nog nooit op het hoogste niveau zijn kunsten mogen laten zien.