Op weg naar een Europees DGS
Toezicht en Depositogarantie zijn een twee-eenheid
Een depositogarantiestelsel (DGS) is geen vangnet voor falend toezicht. Toezichtsinspanningen moeten de kans dat een beroep op het stelsel wordt gedaan minimaliseren. Waar de verschillende garantiestelsels in het verleden een hinderpaal vormden bij het realiseren van een Europees grensoverschrijdend toezichtsmodel zal nu de noodzaak tot een nieuw DGS helpen bij de realisatie daarvan. En dat nieuwe toezichtsmodel en instrumentarium draagt op zijn beurt bij aan een adequaat en betaalbaar DGS.
Goed functioneren bij groter risicobewustzijn
Risicobewustzijn is niet alleen bij de bank maar ook bij de spaarder van belang voor het goed functioneren van het financiële stelsel. Een eigen risico voor de spaarder zou gekoppeld kunnen worden aan de hoogte van de rentevergoeding om ervoor te zorgen dat bij spaarders het bewustzijn wordt gecreëerd dat tegenover een hoger rendement als regel een hoger risico staat.
Grote Banken
De omvang van de spaartegoeden bij deze banken is zodanig dat uitkering onder het stelsel vrijwel onmogelijk is. Bij grote banken hebben de overheden tot op heden altijd tijdig ingegrepen en het voortbestaan van deze instellingen veilig gesteld, waardoor geen beroep op het stelsel werd gedaan. Spaarders bij deze instellingen hebben dus een grotere zekerheid. Het stelsel is formeel van toepassing, maar een beroep op het stelsel zal niet plaatsvinden. En die grotere zekerheid rechtvaardigt dat ook de grote banken pro rata bijdragen aan de kosten van een DGS. Vanwege een redelijk level playing field tussen grotere en kleinere banken moet een uitgebalanceerde keuze worden gemaakt voor het niveau van de maximumgarantie en voor de omvang en vorm van het eigen risico.
Een fonds heeft de voorkeur boven een omslagstelsel. Bij een fonds wordt vooraf gestort en dragen dus alle banken bij, ook de bank die later in déconfiture gaat. Een groot zorgpunt bij een fonds is de benodigde omvang. Bij de omvang van een fonds hoeft alleen rekening gehouden te worden met het voor het DGS "relevante" spaarvolume. Bij de bepaling van dat relevante volume worden saldi bij systeembanken en saldi boven de maximale uitkering per spaarder niet meegeteld. En voorts kan een belangrijke discount worden gehanteerd omdat er als regel bij het faillissement van een bank sprake zal zijn van een aanzienlijke recuperatie van middelen uit de resterende activa. Daarmee rekening houdend volstaat een omvang van ongeveer 2 % van het spaarvolume met een achtervang van centrale bank/overheid.
Nieuwe wet- en regelgeving kan helpen om het risico te beperken
Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan:
- hogere solvabiliteitseisen voor banken met een grotere mismatch in looptijden (hoger
liquiditeitsrisico) en voor banken waarbij de spaartegoeden een groter deel van de
toevertrouwde middelen vormen;
- beperking van de omvang van individuele instellingen;
- verplichte scheiding van typen van financiële instellingen (vergelijking Glass Steegall).
Naar een Europees stelsel
Het Europese paspoort, de grote verwevenheid van financiële instellingen met elkaar en de recente problemen maken duidelijk dat een Europese oplossing voor de gehele interne markt voor toezicht én garantiestelsel de voorkeur heeft. Eén Europese oplossing is niet direct realiseerbaar. Daarom moet nu worden gestreefd naar:
(1) maximale aansluiting van de werkingsgebieden van nationale toezichthouders en garantiestelsels;
(2) maximale uniformiteit in de verschillende garantiestelsels binnen Europa.
Voorstel nieuw stelsel
Vorm: een fonds met achtervang.
Bijdragen vinden plaats op basis van een risicogerelateerd percentage van het spaarvolume per instelling.
Omvang fonds: de omvang kan beperkt blijven tot 2 % van het spaarvolume.
Achtervang. Claims die groter zijn dan de omvang van het fonds worden afgedekt door achtervang van centrale bank en/of overheid, middels een achtergestelde lening aan het fonds, welke wordt afgelost wanneer het fonds weer tot een voldoend niveau is aangevuld.
De garantie voor de spaarder:
1. eerste tranche tot € 50.000 onder aftrek van een eigen risico voor de spaarder gelijk aan het
nominale door de bank gehanteerde rentepercentage;
2. een tweede tranche tot € 100.000 met een zelfde of eventueel een hoger eigen
risico (bijvoorbeeld 10%).
De ervaring leert dat aanpassing van een DGS een complex en tijdrovend proces is. Dat geldt te meer als de gedachten uitgaan naar één Europees stelsel. En als gekozen wordt voor een fonds zal een lange opbouwperiode nodig zijn. Om die reden moet zo spoedig mogelijk gestart worden met de uitwerking van een nieuwe opzet. En in de huidige omstandigheden zijn daarbij primair toezichthouders en overheden aan zet.